Dagboek van Sint Schurer – 25 Augustus 1942

In het voorjaar van 2009 is mijn opa overleden. Voor mijn gevoel was hij een simpele, maar toch een complexe man. Hij had wijsheden die je niet meteen wilde aannemen. Maar als je zijn woorden even liet rusten, dan kwam je later erachter dat hij helemaal gelijk had.

Bij mijn bezoeken had hij het soms over de oorlog. De jongens verhalen die zich om Sneek afspeelden. Hoe hij op de fiets naar een boerderij ging om mee te helpen met de slacht van een varken. Aan het einde van de oorlog dat hij als politieman meehielp met de bewaring van de bezetters. Soms liet hij vallen dat hij in Duitsland was. Een verhaal dat hij op een vliegveld was en dat hij juichte van blijheid als een vliegtuig crashte. Maar daar bleef het erbij. Er werd niet gesproken over zijn tijd in Duitsland. Hij bleef hij het M woord ook regelmatig gebruiken als hij over de Duitsers sprak. Maar aan de andere kant kon hij samen met zijn vrouw wel genieten van Duitse schlagermuziek op de Duitse zenders. Ook vond hij Duitse jenever ontzettend lekker.

Het is 75 jaar geleden dat Nederland is bevrijd. Dat wordt nu in Nederland op gepaste manier gevierd. Nederland is vrij. Maar heeft door de Covid19 crisis niet de vrijheid om dat samen te vieren. De afgelopen dagen heb ik tien vellen papier overgetypt. De tien vellen papier die mijn opa schreef . Was het om te herinneren, of was het om het van zich af te schrijven? Ik zal hem die vraag nooit kunnen stellen.

Ik heb een scan van het origineel bijgevoegd in deze post. Je merkt in de tekst dat er woede is. Je merkt dat er haat is. Maar je leest ook dat er goedheid is in de mens. De dokter heeft zijn leven gered. Wat ik van deze tekst heb geleerd is dat het geen enkele reis naar Duitsland was. Je kon terugkeren van jouw werkzaamheden.

Dagboek 25 augustus 1942

Was een dag voor mij, zonder lust,
en daarin tegen kreeg ik een avontuur waarvan ik niet was van bewust.
Ik kreeg een vordering om naar Duitsland te gaan,
want in dat beloofde land werd me dan aangeboden, een prima baan.
Wilde ik niet, of was bij voorbaat ziek,
dan werd ik in handen gespeeld, bij de Duitse kliek.
Ik wilde daarom ook niet mijn huisgenoten er bij in halen,
dan de moffen gaven er ook niets om, zo een woning en mensen er uit te halen.
Zo ging ik dan met de bewuste trein van omstreek tien uuren,
op naar het oosten, met dat ding, dat mij niets anders zou brengen dan leed en avonturen.

Zo kwamen we dan in Leeuwarden aan,
want ik hoorde, verder zou ’t die avond dan ook niet gaan.
Een hotel aan de veemarkt werd dan ons kwartier,
want morgen zou het verder gaan van hier.
’s Morgens stonden we op ’t station aangetreden,
zagen we dat er nog meer slachtoffers bij gereden.
Na eerst geteld, en ons laatste brood stonden we naar binnen te happen,
moesten we al dadelijk, na veel geschreeuw, in G trein stappen.
In Groningen dan aangekomen,
voelden we al, dat we toch iets van onze vrijheid waren ontnomen.
Ik zag dan al eens rond of ik ook van het perron af komen kon,
maar het waren allemaal moffen in en om het station.
Maar na veel getier en geraas,
ging het dan weer verder naar ’t oosten opwaarts.
Zo kwamen we dan aan in Leer,
en er uit moesten we weer.
Maar bij ’t tellen van mijn proviand en buit,
miste ik mijn tweedjas er nog tussen uit.
Er stond al weer een D trein klaar,
onze transport leider gilde hees van instappen maar.
Ik hardlopend naar de vorige trein terug,
want die jas wilde ik terug hebben, en moest toen vlug.
De coupé terug gevonden, de jas er uitgehaald,
alles tempo, want ’t was net of was er een tijd voor bepaald.
De moffen beambte, net als altijd even boos,
raasde maar tegen van, kom, kom en snel, snel.
Na die scène, vond ik gelukkig weer mijn maten,
die zaten over ’t gebeurde ook al weer te praten.

Maar na een reis van achttien uren,
verliep die dan naar wens, met zonder avonturen.
Maar inplaats dat we naar Dessau zouden gaan,
bleef de trein al in Aschersleben staan.
Mijn maat zei : wat is dit nou?,
we hebben hier niets te maken, onze plaats is Dessau.
Maar we moesten maken dat we uit de trein kwamen, en op het perron,
want anders reden ze ons nog verder in Moffrika ons.
Het station door gelopen, en gekomen voor op het plein,
kwamen er al enige mensen aangelopen, en dachten, wat voor ploeg zou dat toch zijn.
Een Leeuwarder uit onze ploeg,
kon die moffen taal goed genoeg.
Hij vroeg die lui, hoe is bij Jankees met het eten?,
de man hoed diep in de ogen, zag hem aan met een paar nauwe spleten.
Hij zei : slapen prima, slecht eten en jullie bent gevangen,
nadat vernomen te hebben, steeg het bloed mij naar de wangen.
Ik vroeg mij af, zouden we dan geworden zijn, niets anders dan slaven,
ik werd toch bang, en wou wel weer naar Sneek toe draven.

Even daarna kwam er een auto aanrijden,
die had opdracht onze bagage in de toekomstige barak te verspreiden.
Toen wij een half uur hadden gelopen, en de weg naar ’t kamp gevonden hadden,
kregen wij, dan toen wij waren aangekomen, een van de mooiste barakken.
Maar o je, na verloop van enkele dagen,
toen begon het al, knagende magen.
Het was van die man, toch geen leugen,
en daarin tegen begon de mangen van verandering, en ’t beetje eten ook al niet te deugen.
Ik keek naar de mijn maat in de andere hoek daar,
die moest zo nodig, die stond al met de benen over elkaar.
Bij de krib stond er een,
die behoefde dan ook nergens meer heen.
De andere stond te springen en dan weer in de bocht,
en op ’t laatst stond die dan ook stil en had de broek ook vol vocht.
Gelukkig bleef ik voor die ziekte bespaard,
en de jongens vlogen ons maar voorbij met een razende vaart.
Maar na verloop van een goeie halve week,
was het of de jongens langer waren geworden, en bleek.
Maar gelukkig stopte het dan al wat,
het kon ook niet langer, want ze waren al zo mager als een lat.
Toen het dan vast begon te zetten,
lag men ook weer rustiger op het strooien bedden.

De slanke lijn bleef dan ook maanden lang de mode,
want toen begon ook de honger periode.
Men toog toen met onze ploeg enkele dagen naar ’t veld,
om eten te zoeken, want men kon niets krijgen met Hollands geld.
Na een halve dag arbeid,
was ’t veld van alle afgevallen koren halmen bevrijdt.
Een emmer water het spul erin, en men tapte wat moppen,
een goed vuur, en zo’n 3 uren koken, konden we dan toch de maag volproppen.

Ik had ook een met de gezondste magen,
en liet het dien avond ook heel wat dragen.
Een week ongeveer nadat avontuur,
toen kreeg het van binnen bij mij ook een rare kuur.
Ik bleef maar even dik, en pijn in de buik,
en hoefde maar bij mij nooit achter uit.
Zo was ik dan ook rap bij de sanitäter,
en na verloop van een paar dagen was ik dan ook weer beter.
Wij hadden dan geloof ik in een hele week niet gewerkt,
en de heren hadden dat dan ook al gauw bemerkt.
Op een zekere dag werden we dan door verschillende hallen doorgeleid,
want ze meenden dat we daar zouden blijven voor een hele tijd.
Zo werden we verdeeld over het gehele fabriek,
anders deden we ons best misschien weer niet.

Ik kwam dan bij een lange werkbank te staan,
en alle nationaliteiten stonden daar bij aan.
Zo trof ik ’t al weer bijzonder slecht,
aan de rechter kant twee en de andere kant één, dat vond ik een pest.
Ik wou liever niet tegen dat gespuis spreken,
want achter mijn rug stonden mij maar de gek aan te steken.
Het werken was voor mij daar dan ook een echte hel,
Want dat daar knokken uit voorspruite zou, dat begrijpt de lezer wel.
Die moffen met hun vele en treiterende streken,
en in de cantine drie glazige aardappelen, is dat nu eten?
Mijn gedachten waren dan ook totaal op hol,
want met dat gesar en getreiter was ik ook meer dan vol.
Dan op een zekere dag was ik dan zo kwaad,
sloeg al mijn gereedschap en boormachine enz stuk op straat.
In de namiddag speelde dat zich af, het onvergetelijke avontuur,
en dit had ik in mijn hoofd, ik zou hem smeren, des ’s avonds voor 10 uur.

Mijn spullen weer in de koffer voor elkaar gebracht,
want ik moest een eind afleggen die historische nacht.
Één van de jongen had ook ’t koele plan om mee te gaan,
en dus moest die mee, ik kon hem niet laten staan.
Toen de jongens ons dan naar de trein toe brachten,
hingen ze om ons heen en vroegen, dat we vooral de groeten even overbrachten.
We kochten een kaartje aan ’t loket,
en dus begon voor ons de pret.
Toen de moffen locomotief,
zijn welbekende geluid verhief.
Zo werd het hele geval dan van ’t perron met groot geraas en veel gesuis,
en de jongens schreeuwden nog boven alles uit van “Welkom thuis”.
Met een raar gevoel van binnen ging het dan op naar Maagdenburg,
want te verschijnen op dat station was voor ons een hele durf.
Meestal werd dit station doorkruisd door groene pol in dit nachtelijk uur,
en treffen ze ons dan zonder urlaubsbrief, dan waren we zuur.
Komt ze waren erg ban voor spionage,
en wat ik had gepleegd was wat ze noemen, sabotage.
Maar na goed geluk, drie uren hebben gewacht,
hoorden wij uit onze schuilplaats, het welbekende locomotief gegil die nacht.
En daar kwam hij dan het perron op jagen met groot geraas,
de remmen piepten en wij er in, en ook niet te traag.

Toen wij dan na enige tijd weer de rails overvlogen,
was ik van binnen toch niet zo opgetogen.
Ik zei tegen mijn maat, ik ben niets op mijn gemak,
en na die spanning klom ik dan maar boven op het dak.
Toen ik me na veel in spanning naar boven had gebracht,
lag ik op de trein in stikdonkere nacht.
Even daarna begon het ook nog te regenen en te waaien,
naar beneden kon ik niet, want dan was ik voor de haaien.
Geheel alleen lag ik stil daar boven,
toen we met groot geraas een tunnel door stoven.
Om me te bewegen durfde ik niet, want dan was ik net een veer,
dan kwam de wind er onder, en bestonde de Sint niet meer.

In Osnabrück aangekomen, klom ik gauw weer naar benéé,
want ik voelde me veiliger, bij mijn maat in de coupé.
Toen we een half uur moesten wachten, en ik me bij mijn maat in de coupe bevond,
werd ik opeens bleek van schrik, en prevelde, een groene Pol verdomd.
Hij raasde en tierde van pas en verlaubsbrief schein,
ik kon ook niet meer wegkomen, en gaf hem alleen de pas van mijn.
Die man was nadien tijd voor geen goed woord te vinden,
en raasde tegen ons, dat wij ons gauw in de gevangenis zou bevinden.
De twee passen van ons, kwamen dan ook met veel gekrijs in de zak van zijn jas,
maar geloof mijn waarde lezers dat de ongelukscoupé gauw door ons verlaten was.
In mijn grote angst was ik maar weer boven op de wagen geklommen,
en geen 10 min later hoorde ik het stalen monster weer langs de rails brommen.
Het ging ook nog over een lange brug, genaamd de Roer,
maar om er dan boven op te blijven, dan is een toer.

Toen we Osnabrück verlieten was het nog pik donder nacht,
en toen had ik na een tijd het dageraad nog niet verwacht.
Het laatste traject Osnabrück-Bentheim,
zou het slot van het programma zijn.
Vlak voor Bentheim, was uit de trein springen, mijn plan,
maar hij reed te hard, en daar kwam dan ook niets van.
In grote haast klom ik dan weer naar beneden,
want in het volle daglicht, kwamen we het station binnen gereden.
Ik was zo in de war, dat ik wist niet waar mijn maat meer was,
en in een ommezien hing ik onder zo’n spoorweg wagen aan een as.
Die moffen waren ook niet dom en bedeesd,
want ik was er vlug onder weg, anders had ik de sigaar al geweest.
Ik liep daar op het perron, als een kat in een vreemd pakhuis,
en mijn hart schreeuwde maar “Was ik maar weer thuis”.
Duizende gedachten kropen maar in mij om,
was ik maar van dit zo beruchte voor mijn perron.
Ik nam toch dit vaste besluit,
hier moet ik vandaag, en ik er tussen uit.
En ik zo dan met groot geweld,
naar de uitgang, en met flinke pas er doorheen gesneld.
Alles verliep vlot en naar wens,
of ik hoorde een, die riep, kom her du mens.
Ik durfde dan ook niet verder te lopen,
want ik was bang, dat er op mij werd geschoten.
Zo was ik dan toch nog de klos,
en zo liep ik met zware schoenen terug, en hij had ook zijn pistooltas al los.
Ik was dan het perron al weer opgegaan,
en zag mijn maat met nog een paar, met handen in de hoogte staan.
De mensen in de trein zagen vol medelijden op ons neer,
en dat niet alleen, ik dacht aan mijn ouders, dat deed ook zo zeer.
Ik was inmiddels daar dan ook aangetreden,
en dan die mensen in de trein, die dan zo naar ons keken.
Maar toen dan de conducteur met zijn schelle fluit de lucht doorsneed,
zagen we de lachende gezichten in de trein, ook nog voor ons neus weg reed.
Uitgehongerd, ziek van spanning, en nog meer van die ellende,
zaten we weer in de schreeuwende moffen bende.

Heel vriendelijk werd ons toen gevraagd om binnen te komen,
maar wat ik daar toen kreeg, had ik nooit kunnen dromen.
Ik kwam dan ook nog maar net binnen stappen,
of op mijn beide wangen vielen een regen van klappen.
Een ander kreeg een trap onder zijn mannelijk geslacht,
die jankte het uit, want die schop was lang niet zacht.
Zo werd ieder trappend en schoppend naar een hoek gesleurd
en zo was dan de wraak oefening van dat moffentuig weer gebeurd.

Langen tijd hadden we dan in het lokaal gestaan,
en schreeuwden tegen ons, waarom wij niet de trein waren gegaan?
Gelukkig dat er van ons geen een wat zei,
want ik zag die rauwe gezichten wel, want dan kwamen er nog meer slagen bij.
Maar toen ze het in de gaten hadden, moesten we hard lopen naar de cel,
de rest was dan verder eenvoudig, en snapt men wel.
Tot de ’s middags een uur of drie hebben we daar gezeten,
en er kwam die daags ook maar niks te eten.
De daags te voren, de ’s middag had ik ook mijn laatste eten gehad,
dus mijn maag was dan ook al mooi op stap, en vroeg dan ook om wat.
Mijn maat ziek en raar, werd plotseling gestoord,
en de celdeur kwam open, en de wacht brulde, jullie worden naar Osnabrück gespoord.
Die rare snoeshaan schreeuwde maar van, snel, snel,
een trap onder mijn achterste, en de rest op het andere wel.
Om kort te zijn, kwamen we weer in Osnabrück aan,
en weer kwamen we zo’n vriendelijk herrenvolk te staan.
Nooit heb ik geweten, dat zulke wreedaards bestonden,
wat ik daar aan de lijve heb ondervonden.

We stonden daar nog maar net, of hij schreeuwde in de kelder,
ik dacht, in de kelder, of is mijn hoofd nu niet meer helder?
Ik snapte het eerst niet zo vlug,
of ik kreeg de stok al over mijn rug.
Daar al gauw ging het met vlugge schreden,
in het donder, de trap af naar beneden.
Onder in de grond, waren de cellen gelijk al hokken,
daar werden we dan als vee in gedreven met stokken.
Aan het eten werd ook niet meer gedacht,
want ik was al blij dat ik het er zo had afgebracht.
In het donker zat ik dan geheel alleen,
en vroeg mij af, goede God, waar moet dat heen?
Mijn handen, of om eerlijk te wezen, alles in mijn lichaam beefde,
en het was niet of ik een boek las van mensen, die in de middeleeuwen leefde.
Weinig sliep ik dan die nacht,
en vroeg in de ochtend ging al de deur open, onverwachts.
Het gezicht van dat mens stond nog even woest,
en zei dat ik de cel snel verlaten moest.
Ik dacht al, wat heb ik nu weer in het vet,
maar ik zag om me heen mensen daar en werd op een bankje gezet.
Hadden ze me nog niet genoeg geflikt,
maar nee, het hard werd er zo kaal mogelijk afgeknipt.
Over al waar ik was behaard,
werd dan ook geen haar bewaard.
Ik was dan ook zo maar klaar,
maar de weg naar de cel terug, ging weer zo raar.
Eindelijk, na veel honger hebben geleden, kreeg ik wat te eten,
en dat werd er de cel dan ook zo maar ingesmeten.

Na 15 dagen alleen te hebben zitten drukken,
kwam er nog een slachtoffer de cel binnen krukken.
Ik hoefde hem niet te vragen,
want hij had het ook moeilijk gehad die dagen.
Het was een Hollander, hij was weggelopen, bij zijn boer,
Ik zei tegen hem, kom maar gauw bij me zitten op de vloer.
Want toen ik er in kwam in het begin,
was er geen eens een krib of een bed meer in.
Maar daarom waren we niet getreurd,
want mijn hart daar in tegen, was niet gescheurd.
Ik weet niet wat wij daar hebben afgebabbeld precies,
maar ik zei: Ik kom uit Sneek, en ik ben een echte Fries.

Na achttien dagen bijna in die hel te hebben verloren,
was het precies de dag van ons ontslag, waarop ik was geboren.
Maar met die straf was het nog niet gedaan,
want met die opgespaarde jongens, ging het die dag op het concentratiekamp aan.
Ze hadden me weer gevraagd waar ik toen des tijd had gewerkt,
en ze hadden per telefoon, daar ook al van mijn vernielingen gemerkt.
Een extra pak slaag daalde weer op mij neer,
maar gelukkig deed het me dan niet meer zo zeer.
Met kale koppen ging het door de stad, zo naar het station,
maar uren moesten we daar in de houding staan op het perron.
Ja, we stonden daar minsten twee uur lang,
toen de trein kwam binnen rollen met matige gang.
We kwamen in een echte gevangenis wagen,
en weer met honger of half volle magen.
En daarentegen hadden we nog een kleine ramp,
ze hadden niet meegedeeld waar we zouden heengaan in wat kamp.
We zaten met zijn vijven in tweepersoons cellen,
dus ging de reis ook nog gepaard, mekaar te knellen.
Na ongeveer vier a vijf uren in de knel te hebben gezeten,
werden we daar dan ook weer uit gesmeten.
De ogen gaf ik wel degelijk de kost, en zag dat we on in Essen bevonden,
en ook zag ik dat ze daar krapte aan mensen, en zich daar ook beuken bevonden.
Lang behoefden we daar niet te staan,
toen het station uit in de stadstram, genoemd de strassen tram.
Zo’n 20 minuten, in dat trammetje te hebben gezeten,
kwamen we op een kruispunt met moffen, ook met duivelse streken.
Even verder stond de in D. welbekende boeven auto,
en daar in, met een boven menselijke tempo.
Er vielen daarbij harde schoppen en vele trappen,
want dat kon men van dat tuig wel snappen.
Ik kon niet zo vlug, want ik had een trap incasseert op mijn lij,
maar ik werd er aan herinnerd, en kreeg er nog één goeie bij.
Na veel geschreeuw en groot geweld,
ging het opwaarts naar dat dan zo beruchte vliegveld.

Na veel gehobbeld te hebben over dat onvlakke laan,
wist ik al lang dat het verminken onderweg zou blijven staan.
Schommelend, hobbelend reed het ding toch door,
en na weinige ogenblikken stonden we bij de hoofdpoort voor.
Onder regen van vele slagen,
werden we de de auto afgeladen.
We waren als gevangenen een twintig in getal,
en de bewijsstukken van ons, hadden die heren ook al.
na lange tijd moest ik dan naar binnen,
en ze schreeuwden maar, wat moeten we met jou beginnen.
Maar waarom wilde je daar niet werken,
en ze raasden van, ga, en je zult het wel bemerken.

Buiten de deur en weer met de handen omhoog te hebben gebracht,
werd ik toen naar een paar van die onmensen gebracht.
Op orders van die heren werd ik verzocht me geheel te ontkleden,
en al gauw werd ik t rappend en schoppend naar elke hoek gesmeten.
Toen ik dat zo ongeveer een half uur had meegemaakt,
werd ik op het strafplein nog een keer gekraakt.
Dat plein moesten we hardlopen in het rond gaan helemaal naakt,
en daar werd maar lachende en vuile opmerkingen door de heren gemaakt.
We konden dan ook haast niet meer draven,
en op elke hoek regende het met stokken en spaansriet harde slagen.
Als ik weer hollend een hoek om kwam dan zag ik weer één van die kliek,
dan knarste ik op mijn tanden, en dacht; mijn breken jullie niet.
Maar na enige tijd waren van het lopen vrij,
en werden we weer zo opgesteld, met ook weer zo’n lieder er bij.
Toen kregen we leggen en weer opstaan en zo voort,
en dat ging een hele tijd, met dat gebiedend woord.
Den gehelen dag was ik aan alles zo’n beetje gewend,
toch riep een wacht mijn naam, en ik riep present.
Hij zei: Het is vandaag je geboortedag.
een dat ik dan van de wacht, in de houding staan mag.
Op mij na, ging het verder met onze ploeg,
en gelukkig na een half uurtje was het voor hen ook genoeg.

Onze bagage stond daar nog op een hoek,
en werd zowat leeggegapt na hun welbekend onderzoek.
Het hinderde niet, als wel dan maar af waren,
Maar dat deden ze ook niet, en zo wachten ons nog moeilijke dagen.
Maar onze kleren weer aan in tempo hebben aangedaan,
konden we hollend naar onze barak gaan.
Er werd ons geen ledikant aangewezen zonder bed noch stro,
want dat hoort bij nieuwelingen de eerste dagen zo.

Na twee dagen was het uitrukken om te werken,
en als ’t niet in een tempo ging, dan kon je ’t aan je rug wel merken.
Het slapen op de harde grond waren we ook al aangewend,
toen kregen we een ledikant met alleen een spiraal en een deken in onze tent.
Ook een militair pak Hollands werd ons toegedaan,
want daar konden de luizen beter te ver in gaan.
Terwijl wij ’t werken in weer en wind van ’s morgens vroeg tot ’s avond laat moeten voortzetten,
viel er iedere dag gemiddeld twee uit door dag gespuis met hun korte metten.
We kregen daar bijna alles soep, en dan mondjesmaat,
en men kan begrijpen, hoe het dan verder gaat.
Vond ik een verloren aardappel of suikerbiet op dat vlakke veld,
dan schoot ik er op aan met het groot geweld.
De herdershond die ze hadden, kon met ’t eten wel vijfmaal zat,
en dan gapten wij dat stiekem, en hadden wij weer wat.
Een paar dagen ging dat zo goed, en toen waren we erbij,
en dan waren de magen weer twee dagen vrij.
Maar als wij weer eens één of twee dagen voorbij gingen,
nou, dan kon de maag wel huilen, en kon dan niet verder zingen.
Maar dan op een zekere keer,
kregen we in drie en halve dag geen eten meer.
Ik kon wel schreeuwen zo zeer deed mijn maag,
en mijn ledematen deden het werk dan wel traag.

Het kwam alleen omdat een jongen een aardappel uit de bouw had gegapt,
en bij het op eten daarvan hadden ze hem gesnapt.
Het mooiste van de zaak was, het was al een week geleden,
en toen hadden ze niet zijn naam opgeschreven.
’s Avond toen om half zeven het werken was gedaan,
lieten ze ons van zeven tot tien uur buiten aangetreden staan.
Als wij daar dan zo stonden aangetreden,
had ik vaak dat mijn gedachten naar huis toe gleden.
Dan stond ik daar te denken aan Moeder, Vader, Hennie en Pier,
Nou, dan kon ik haast wel wegvliegen van deze rommel hier.
Ook zag ik ze met het eten ’s middags om de tafel zitten
en even daarna moeder naar boven gaan om te pitten.
Ik stond daar, mager, vervuild, afgebeuld en vol verdriet,
en om dan verder te denken dat durfde ik niet.
Over mijn wangen rolden dan ook hete tranen,
toen mijn gedachten hier in deze hel weer tezamen kwamen.
Maar dezelfde avond dat we weer op de tien uur slag hadden gewacht,
toen werd mij een harde slag toegebracht.

Na even in de gang van de barak te hebben gezeten,
bleek dat ze mijn hals met een knuppel te hebben open gereten.
Ik bleef een goeie klap te hebben gehad,
want heel mijn jas was van bloed doornat.
Vroeg je dat tuig dan om verband,
dan schopten ze je gewoon weg aan de kant.
Ik kreeg koorts en in mijn hals een grote zweer,
’t was net of leefde ik toen niet meer.
Zo stond ik daar te werken met de gezwel,
en dan dacht ik, doorzetten, misschien haal je het wel.
Dronken van ziekte en van pijn liep ik rond,
en mijn benen voelden soms geen grond.
Niets kon mij het leven meer schelen,
en achterstonden ze maar met hun woeste bevelen.
Dan zag ik in eens niets anders dan duisternis om me heen,
en ze slagen en trapten mij maar of was ik van steen.
Zo kwam ik dan ook weer bij,
want die stinkers konden immers toch geen medelij.
En zo ging het een paar dagen weer goed,
en dan stond ik daar weer te werken nog besmeurd met bloed.
Maar voor zo’n inzinking weer mee te maken,
vroeg ik de wachtmeester dat ik mijn werk mocht staken.
Maar daaraan werd niet voldaan,
en moest maar gauw weer henen gaan.
Ik kon wel aan mijn gestel bemerken,
dat het niet lang zou duren, dat ik daarvoor ’t laatst stond te werken.
Maar na een keer weer biddend en smekend te hebben gevraagd,
mocht ik thuis blijven en ging daar weer wat krachten mee gespaard.
Slap en dronken liep ik in het rond,
en mijn benen voelden nauwelijks de grond.
Niets kon mijn leven meer schelen,
en achter mij stonden ze maar met woeste bevelen.
Zo ging ik slap en dronken henen,
naar de zo onder de luizen zieken kamer henen.

Ik lag daar dan zo’n dag of vier,
en werd gelukkig weggeroepen van hier.
Een Belg was daarvoor zo’n dag of zeven gestorven,
en nog nooit hadden ze dat lijk geborgen.
Ik kan niet verklaren hoe blij ik was,
toen ik verder ging met de wacht in een pas.
Het bleek dan dat een echte dokter een kamp controle deed,
en hij zei “Dit lijkt niet best” toen hij naar mij keek.
De sanitair werd dan ook van alles door de dokter uitgemaakt,
en ik stond daar op mijn benen te zweven of was ik dodelijk geraakt.
Maar na dat geketter en geschreeuw dat mijn ogen er van suisden,
begreep ik wel dat ze met een half uur naar ’t ziekenhuis verhuisden.
Ik merkte dan ook later dat ik niets van die reis vernomen had,
em toen ik weer bij kwam lag ik in een heerlijk bad.
Toen brachten ze me naar een grote zaal,
en nog geen twee dagen later lag ik al in de operatiezaal.
Ik lag dan de volgende dagen doodziek te bed,
en dacht als dit goed komt, dan kan het ook mooi net.
Stiekem heb ik toen uit dat ziekenhuis naar huis toe geschreven,
met een bericht, waar ik dan was gebleven.
Maar toen ik dan op een zekere dag een goed bericht terug kreeg,
toen brachten me dat vele tranen teweeg.
Ze schreven ook nog, dat ze mijn schrift haast niet konden lezen,
en bij hun brief was het net of er melkglas voor mijn ogen waren gerezen.
Een jongen van Sneek die daar naast mij lag, vroeg ik dan al gauw,
als hij de brief even voorlezen wou.
Zo was ik hulpbehoevend zeven weken lang,
toen er goed zij dank verandering kwam.
Koorts en etenloze dagen gingen stadig aan voorbij,
en dat kon ook niet langer, want er waren slechts 98 ponden over van mij.
Na kerstmis en nieuwjaar in stilte hebt gevierd,
werd ik, eerst te hebben gevraagd ontslag en dan niet uit gezwierd.
Zo’n tien dagen moest ik nog doorbrengen in die hel,
en toe net ontslag in aantocht was, wist ik het zo’n beetje wel.
En toen op een laatste dag januari dag,
werd mijn naam voor gelezen, en kreeg ontslag.

Ik kon mijn oren dan ook niet geloven,
want telkens kwamen er evengoed jongens, die jankend en schreeuwend voorbij stoven.
Bij het appél riep ik dan ook voor het laatst present,
en werd dan even later weggebracht van een kamp, dat ik zo goed had gekend.
Een dag in die gevangenis en een halve dag in die, zo ging het aan alras.
dan maar de plaats Ascherleben, waar ik dan weg gekomen was.
Kleren had ik bijna niet meer aan die paar dagen,
en dat kon me niets schelen, want ik was al veel te blij, dat ze me hadden ontslagen.
Toen ik me weer op het perron in Ascherleben bevond,
was het net of ik daar nog afscheid nemend in de trein stond.
Van mijn ontslag af, had ik nog steeds bij me een wacht,
en die ging niet eerder weg dan dat hij me op het fabriek had gebracht.

Ik was in het lopen dan ook nog slecht ter been,
maar ik had één wil, ik ging nu naar bekende jongens heen.
Zo kwam ik met de wacht het fabrieksterrein opstappen,
maar bij de werk werk-politie gebracht zou het weer wezen van schoppen en trappen.
Maar mijn wacht die naast mij stond, die zei,
Deze man heeft zijn straf gehad, en is weer vrij.
Ik had het dan niet zo gauw verstaan,
maar begreep al gauw dat ik mijn gang kon gaan.
Van al die spanning en sjouwen van de koffer was ik dan ook geweldig moe,
dat er al gauw iemand was, die mijn bijna lege koffer raakte, en bracht mij half juichend naar de kamer toe.
Het was op een donderdag zo omstreeks zeven uur,
toen de jongens me dan zagen, nadat onvergetelijke avontuur.
Van de jongens kreeg ik eten, en dezelfde avond was het feest,
nadat het vertellen, waar ik wel overal was geweest.
Zo’n vier dagen kon ik niet werken in het fabriek,
want op opgezette voeten lopen kon ik niet.

Nadat ik me daar weer een halfjaar bevond,
zeiden de jongens dat ik ook op de vakantielijst stond.
Ik kon dan ook haast niet geloven,
en ik er heen, en ja, ik stond erop, de vier van boven.
Gauw schreef ik naar huis, dat 23 juni, in grote vette blokken,
maar ook, 14 dagen voor dien tijd werd het weer ingetrokken.
Toen werd het op 17 september gesteld,
en weer werd het geblokkeerd met groot geweld.
Maar er werd weer zo’n bijna drie maanden mee gewacht,
en toen was het dan op 13 december gebracht.
Er was één mooie dag in al die donkere dagen,
toen wij maandag 13 december op de scheurkalender zagen.
Deken, handdoeken. Alles werd ingeleverd met man en macht,
want allemaal hadden ze dit toch niet verwacht.
Op maandag 13 december, met urlaubsschein en pas bewapend in trein en tram,
toen was ik blij, dat ik woensdag morgen 10:15 met de tram in Sneek aankwam.

13 December 1943
Dagboek van S Schurer

Leave a Reply